Vers uit eigen tuin

Bonen

Bonen zijn er in vele soorten en maten. Hoge bonen, lage bonen, sperziebonen, stamslabonen, spekbonen, droogbonen en ga zo maar door. Behalve de algemene informatie over bonen staat er ook een kleine beschrijven van verschillende soorten bonen.

Tuinbonen horen officieel niet tot de bonen, maar omdat ik nog nooit tuinbonen heb geteeld en er eigenlijk niet zo veel vanaf weet, staat hier een klein stukje tekst over tuinbonen in deze tekst, een heeft ze geen eigen pagina. Ook staat hier de zaaitabel van tuinbonen.

Hoge bonen en lage bonen:
Er zijn hoge bonen en lage bonen, ook wel stokbonen en stambonen genoemd. Stokbonen hebben een klimsteun nodig, omdat ze wel tweeënhalve meter hoog kunnen worden. Stambonen hebben eigenlijk geen klimsteun nodig en kunnen zichzelf overeind houden.
Hoge bonen hebben een hogere opbrengst per vierkante meter dan lage bonen.

Droogbonen:
Van deze bonen eet je eigenlijk de gedopte bonen. Je laat de peulen helemaal uitdrogen tot ze dor en gelig zijn. Dan kun je ze oogsten. Een voorbeeld van een droogboon is bijvoorbeeld de bruine boon. Droogbonen kunnen wat beter tegen kou dan andere bonensoorten.

Snijbonen:
Snijbonen zijn er in stam- en stokuitvoering. Deze bonensoort vormt platte peulen van rond de 25 cm lang.

Sperziebonen (ook wel prinsessenbonen of slabonen genoemd):
Ook van sperziebonen zijn er stam- en stokuitvoeringen te krijgen. Sperziebonen zijn dunner en korter dan snijbonen.
De sperziebonen worden tussen de 10 à 20 centimeter, afhankelijk van het ras.
Binnen de sperziebonen zijn ook weer allemaal soorten te verkrijgen.

Tuinbonen:
Zoals eerder gezegd geen familie van de Phaseolus vulgaris, maar wel even hier genoemd. De tuinbonen kunnen goed tegen kou en ook tegen natte grond (twee dingen waar bonen niet van houden). Tuinbonen worden zo’n 80 à 125 cm hoog. De peulen zijn dik en net als bij sperziebonen zo’n 10 tot 20 cm lang.

Zaaien
Bonen zijn vrij makkelijk te zaaien. De bonen kiemen snel, binnen een week komen ze op als je ze bij kamertemperatuur zaait. Buiten gezaaid kan het een weekje langer duren (en je moet dan natuurlijk rekening houden met dieren, zoals vogels en muizen, die de bonen uit de grond kunnen halen en oppeuzelen). Houd de zaaigrond vochtig, maar niet te nat. Bonenzaden rotten namelijk snel als de grond te nat is. Ik heb heel vaak gehoord dat bonen makkelijk kiemen wanneer ze op vochtig keukenpapier liggen. Bij mij heeft dat echter niet gewerkt. Zo ongeveer de helft van de bonen kiemden niet en een deel van de niet gekiemde bonen waren zelfs verrot. Daarna heb ik opnieuw bonen gezaaid, deze keer gewoon in een potgrond/zandmengsel (binnen in de vensterbank), de bonen kiemden nu (bijna) allemaal.

Zaai en oogsttabel

Bonen

 

 

 

 

 
Verdere verzorging
Bonen vragen niet veel verzorging. Ik heb inmiddels ondervonden dat het handig is om de stokbonen na het uitplanten vast te binden aan de stok. Enkele dagen nadat ik mijn bonen had uitgeplant kwam er namelijk harde wind, en waren al mijn bonen geknakt. Als je ze vastbindt tot ze zichzelf kunnen vasthouden aan de stokken, heb je dat probleem niet.
Het duurde bij mij even voor de bonen wilden aanslaan na het uitplanten: enkele weken stonden ze haast stil en groeiden nauwelijks. Maar als ze eenmaal zijn aangeslagen, dan zullen ze ook echt snel groeien. Dus gewoon even wachten als ze het na het uitplanten moeilijk lijken te hebben. Na de bloei zullen de eerste bonen verschijnen.

Oogst
Het hangt van de soort boon af wanneer je oogst. Oogst de bonen met twee handen, want de planten zijn kwetsbaar en raken makkelijk beschadigd bij het oogsten. Met een hand houdt je de plant vast en met een andere trek je de boon van de plant. Je kunt natuurlijk ook gewoon een schaar gebruiken.

Oogst de slabonen (sperziebonen) voordat de verdikkingen van de zaden te zien zijn aan de buitenkant van de boon. Oogst de bonen jong, dan zijn ze het lekkerst. Des te ouder de bonen worden, des te taaier ze zijn.

Droogbonen laat je juist hangen tot de boontjes geelbruin verkleurd en dor zijn. Vervolgens dop je de bonen. Je eet dus eigenlijk de zaden van de bonen.

Tuinbonen oogst je jong en onrijp, want dan zijn de bonen het lekkerst. (Als ze ouder worden, worden de bonen bitterder en meliger). Je kunt de bonen enkel- of dubbeldoppen voor het eten. Bij enkel doppen haal je enkel de boontjes uit de peul, bij dubbeldoppen haal je ook het lichtgroene iets bittere hoesje van de boontjes.

Zaadwinst
Zaden winnen van bonen is niet moeilijk. Je laat de peultjes helemaal uitdrogen zoals je bij droogbonen zou doen. Je kunt de rijpe zaden nu uit de bonen halen. Laat ze goed nadrogen en berg ze dan koel en donker op.

(Let op! Het kan zijn dat wanneer de bonenplant last heeft gehad van de bonenkever, de bonen eitjes bevatten. Het is dus handig om de bonen twee à drie dagen in de vriezer te leggen, zodat de eitjes dood gaan. Dan kun je de bonen bewaren zonder dat ze worden aangetast.)

Tuinbonen doppen en dubbeldoppen
Tuinbonen doppen is niet zo lastig, dubbeldoppen is al wat meer gepriegel. Tuinbonen doppen is niet anders dan het openbreken van de peul en de bonen die daar in zitten eruit halen. Dubbeldoppen houdt in dat je het ‘vliesje’ wat om die gedopte boontjes zit er ook nog afpeutert. Het vliesje kan wat bitter zijn, en dat bittere haal je dus eigenlijk weg door het vliesje te verwijderen. Hieronder wat plaatjes ter verduidelijking.

Je verliest wel heel veel gewicht wanneer je tuinbonen dopt, en natuurlijk nog meer als je ze dubbeldopt. Ongeveer 1 kilo verse ongedopte tuinbonen geeft je 200 gram tuinbonen na het doppen. Je hebt dus heel wat nodig. Wanneer je ze dubbeldopt, houdt je zo tussen de 150 en 175 gram over.

Bonenzaden kopen?
Kijk eens bij: bonenzaden